Geografische Geschiedenis Terschelling
Uit navorsingen, verricht door geschiedkundigen en geologen, wordt aangenomen, dat de Waddeneilanden hun ontstaan hebben gevonden in het zogenaamde oud-Holoceen, een tijdperk tussen 20.000 en 5.000 jaar voor Christus.Het Waddenareaal moet destijds hebben bestaan uit een groot moerassig uitstroomgebied, gelegen aan de monding van de Noordelijke Rijnarm, waarvan het Vlie of Vliegat een restant is. Er voltrok zich toen een eeuwenlang verlandings- en verveningsproces.
Brokken rondgeslepen veen spoelen nog geregeld aan op het strand en van de veenachtige bodem zijn nog restanten te zien, wanneer men de aan de Wadkant gelegen stukjes buitendijks land bekijkt (vooral de "Ans" ten zuiden van Lies) en de afkalvende rand ten oosten van de Wierschuur voorbij Oosterend op de grens van de zogenaamde Grieën en de Waddenzee.
Er bestond toen geen duidelijke scheiding met het huidige vasteland. Nederzettingen konden plaatsvinden op natuurlijke verhogingen, waarvan het eilandje Griend het bekendste was. Vastgesteld kon worden, dat dit eilandje in de Waddenzee in de 13e eeuw nog een klooster, woonhuizen en vee rijk was.
Thans is het een verhoogde zandplaat, eigendom van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten en broedplaats van diverse soorten wadvogels, zoals de grote stern. Het eiland behoort tot de gemeente Terschelling op grond van een proces verbaal der grensbepaling van het grondgebied van deze gemeente d.d. 4 augustus 1830, opgesteld door de Landmeter van het Kadaster en voor gezien getekend door Gedeputeerde Staten van Noord Holland d.d. 15 maart 1832.
Vanaf de veerboot is het eilandje herkenbaar door de 2 torenachtige bouwsels, die dienen voor bewaking en waarneming.
Als gevolg van de wisselingen der tijden en vooral getijden en na de latere enorme stormvloeden - de meest bekende zijn de St. Hubertusvloed van 1287 en de St. Elisabethsvloed van 1421 - zijn de aan de gang zijnde geografische veranderingen versneld.
Op de grens van het uitmondingsgebied en de Noordzee waren in de loop der wordingsgeschiedenis zandruggen ontstaan door uit de zee aangewaaid zand welke later uitgroeiden tot een soort duinenrij, waartussen de ondiepe uitstroomgeulen van het achterliggende deltagebied hun plaats hadden.
De stormvloeden, gepaard gaande met niveauverhoging als gevolg van versnelde smelting van de Noordelijke ijskap, waren er de oorzaak van, dat de uitstroomgaten verbreed en verdiept werden en dat het achterliggende moerasgebied veranderde in wat nu de Waddenzee is.
Van eerdere invloed daarbij is de doorbraak tussen het vasteland van Europa en Engeland geweest, waardoor het Kanaal en een veranderende vloedbeweging langs de Nederlandse kust ontstond.
De nederzetting Griend werd overspoeld en zakte langzaam maar zeker in de veenachtige bodem weg en verdween voorgoed; het eilandje zelf kon zich als verhoogde zandplaat handhaven en werd daarbij door menselijk ingrijpen een handje geholpen.
Uit de overige restanten van de strandwal en zandplaten konden zich, na vele tussenvormen, de tegenwoordige Waddeneilanden en de daarachter gelegen ondiepten vormen, doorsneden door vaargeulen en prielen.
Rond 800 jaar na Christus, vormden zich de eerste menselijke nederzettingen op de duingronden, verhogingen en opgeworpen terpen in de kwelders. Dit is nog duidelijk waarneembaar; de dorpen Midsland, Landerum, Formerum en Lies zijn op verhoogde delen van het omringende poldergebied gebouwd; bij de dorpen Hoorn en Oosterend springt het hoogteverschil minder in het oog.
Nederzettingen, die in de strook tussen Midsland en West-Terschelling lager lagen, zijn inmiddels uit het Terschellinger landschap verdwenen: Stattum, Schittrum en Stortum.
Op oude landkaarten komen ze nog voor, terwijl nu alleen nog maar kadastrale namen van landwegen en polderkavels ons aan hun bestaan herinneren.
Aanvankelijk waren de eilanden niet meer dan kale, vaak stuivende zandhopen. Aan de zuidkant daarvan, althans aan de luwzijde, werd in de loop der jaren van rivieren afkomstige grond afgezet: er kwamen slikgronden, kleiachtige kwelders op veenlagen, waaruit later de weilanden werden gevormd en de polder ontstond. Hiermee werden bestaansmogelijkheden voor de mens geschapen - landbouw en veeteelt - beschermd door al spoedig aangelegde dijken.
De eerste bedijking om de Terschellinger polder dateert al van ca. 1000 jaar na Christus. De dijk werd in de 19e eeuw verbeterde en na de stormvloedramp van 1953 in drie fasen tussen 1962 en 1968 op Deltahoogte gebracht.
De zee en de vogels brachten zaden aan en later geholpen door de mens via helmpoten, bebossing, landbouw, beweiding e.d., is Terschelling (evenals de andere Waddeneilanden), uitgegroeid tot een natuurgebied van zeer grote waarde, waar de recreatie met beleid dient te worden opgevangen om de negatieve invloeden daarvan tot een minimum te beperken.
Men denke bij bovenstaande beschouwing, dat het slechts een simpele uiteenzetting is en een zeer snelle weergave van een evolutie, die in feite al in het Prae-Glaciale tijdperk is begonnen en dat er destijds geen administratie van is bijgehouden.
Het eiland is ca. 30 km lang, terwijl de breedte varieert van 2 - 5 km.
De westelijke punt was voorheen een aparte zandplaat, genaamd de Noordsvaarder, maar is omstreeks 1860 door verzanding van een slenk aan het eiland vastgegroeid. De Oostelijke punt bestond destijds ook uit verschillende losliggende zandplaten, die samengegroeid zijn en in de 19de eeuw één geheel met het eiland gingen vormen. Thans is het een ruim 4400 ha. groot natuurgebied, dat als de Boschplaat internationale faam geniet.
De vorm en de grootte van Terschelling is net als de andere Waddeneilanden heden ten dage nog steeds aan veranderingen onderhevig.